| Question | Answer | ||
|---|---|---|---|
| nach dem Namen fragen | Wie bent u? Wie ben je? Hoe heet u? Hoe heet je? | ||
| sich und andere vorstellen | Mag ik me even voorstellen? Ik ben Katja. Ik heet Jan. | ||
| über Herkunft und Wohnort sprechen | Waar komt u vandaan? Waar kom je vandaan? Ik kom uit Binningen. | ||
| jemanden bitten, etwas zu buchstabieren | Hoe spel je dat? Kunt u dat even spellen? | ||
| nach dem Namen fragen | Wie bent u? Wie ben je? Hoe heet u? Hoe heet je? | ||
| sich und andere vorstellen | Mag ik me even voorstellen? Ik ben Katja. Ik heet Jan. | ||
| über Herkunft und Wohnort sprechen | Waar komt u vandaan? Waar kom je vandaan? Ik kom uit Binningen. | ||
| jemanden bitten, etwas zu buchstabieren | Hoe spel je dat? Kunt u dat even spellen? | ||

